Productieproces

Steenkool wordt plastisch bij verhitting en stolt weer wanneer de vluchtige componenten zijn ontsnapt. Deze ‘ontgaste steenkool’ of coke heeft een poreuze structuur en is geschikt voor gebruik in hoogovens als brandstof en als reductiemiddel bij de productie van ruw ijzer. De processen waarop de steenkooldestillatie en gaszuivering van de bijproducten gebaseerd zijn dateren uit de 19e eeuw. Ze bleven in wezen 100 jaar lang ongewijzigd. 

Cokesproductie

Vanuit het kolenmagazijn werd een optimaal mengsel van verschillende koolsoorten naar de kolenbreker gevoerd. Hierbinnen werden de kolen fijn gemalen tussen tandwielen en via een bakjesketting naar de kolentoren gebracht voor opslag. Vulwagens op een dubbel spoor brachten de kolen naar de verschillende ovens. De ideale temperatuur voor steenkooldestillatie lag rond de 1200°C. De ‘gaartijd’ bedroeg ongeveer 15.45 uur. De cokes werden via karren afgevoerd naar de blustoren en vervolgens naar de zeefinstallatie. De verschillende fracties werden vervolgens afgevoerd.

Gasproductie

Het gas dat vrijkwam bij de steenkooldestillatie werd naar de primaire koelers (condensator) gezogen. In een decanteur werd teer opgevangen. Via compresseurs werd het gas door een verzadiger geleid. In de sulfaatfabriek reageerde ammoniak uit het gas met sulfaat en vormde ammoniumsulfaat, dat werd afgevoerd. Het resterende gas werd nogmaals afgekoeld waardoor naftaleen uit het gas condenseerde. Vervolgens werd benzol gedestilleerd. Sinds 1966 werd het overblijvende gas nog ontzwaveld. Het gezuiverde gas (CO, CO2, H2 en CH4) werd opgeslagen in een gashouder voor verder gebruik in de ovens en stoomketels.

De bijproducten werden aan de industrie verkocht: teer als wasolie, creosootolie en aanverwante, ammoniumsulfaat als kunstmest en benzol als basisproduct in chemische industrie, oplosmiddel of opgezuiverd tot benzeen en tolueen.

Energie

Warmte voor de destillatie en zuivering werd geproduceerd onder de vorm van stoom. De cokesfabriek voorzag zo volledig in de eigen energiebehoeften.

Rond 1907 breidde de oorspronkelijke gasfabriek uit met een installatie voor het verwijderen van cyanide uit het gas. Het cyanidevrije gas kon dan worden verkocht als ‘stadsgas’ en verdeeld naar de omliggende regio voor verwarming, koken en verlichting. Dit werd echter in de jaren ’60 verdrongen door het goedkopere en milieuvriendelijkere aardgas.